Vellinga: 'Deze gemeente heeft drie organisten: Jellie Visser, Petra Greydanus en ondergetekende.
Ik speel hier nu achttien jaar en ben daarnaast organist van de Gasthuiskerk hier in Bolsward en van een verpleeghuis.
En koordirigent. Van beroep ben ik leraar. Ik sta voor de klas op een basisschool.
Orgelspelen in mijn vrije tijd vind ik heerlijk. Ik moet echt oppassen dat ik niet teveel diensten aanneem.
Orgel
Een jaar voordat ik kwam is het orgel gerestaureerd door Bakker & Timmenga, onder supervisie van orgeladviseur Jan Jongepier uit Leeuwarden.
Die was erg verkikkerd op dit orgel. Het heeft elf registers en dateert van 1810. Precies tweehonderd jaar oud dus.
Het werd gebouwd door Freytag (leerling van Hinsch, die weer een leerling was van de beroemde orgelmaker Schnitger),
ter vervanging van het kabinetorgel waar de kerk het tot die tijd mee deed.
|
In 1851 is het overgeplaatst uit het oude gebouw naar ons huidige kerkgebouw. Voor de restauratie twintig jaar geleden was weinig geld,
maar al het materiaal kon opnieuw worden gebruikt. Geen nieuwe pijpen, geen nieuwe registers.
Wel is toen de speeltafel opnieuw gepolitoerd: helemaal nieuw bewerkt met mooi inleghout, in de stijl van Freytag.
Karakter
Dit orgel heeft een heel lichte aanslag en een paar prachtige stemmen. Ik mag er graag op spelen en vooral improviseren.
Dat vloeit voort uit het instrument en het moment. Vooral de 8-voet registers geven een warme, sonore klank. Dat doet iets met je.
Ik kan er klankkleuren uitkrijgen waardoor ik helemaal de geest krijg. Engelse muziek klinkt er ook mooi op, van John Stanley (1712 - 1786) bijvoorbeeld.
En Bach natuurlijk.
|
Doopsgezind ben ik niet. Ik ben van huis uit gereformeerd en gebleven. Tegenwoordig shoppen mensen nogal. Zo ben ik niet.
Wel heb ik tegen onze vroegere predikante, ds. Carla Borgers, vaak gezegd: 'Als ik nu zou moeten kiezen, zou ik best iets voor de Doopsgezinden voelen'.
Doordat je minder gebonden bent aan bepaalde dogma's. De ‘vrije Friezen‘ zijn daar altijd wat wars van.
Pingjum
Mijn grootouders woonden in Pingjum, pal naast het beroemde schuilkerkje van Menno, de ‘Fermanje‘.
Als klein jongetje klom ik bij hen in de tuin op van alles en nog wat om door de ramen van dat gebouw te kunnen kijken.
Waarom noemde mijn beppe dit een ‘schuilkerk‘? Dat had iets spannends: wat moest er dan verscholen worden?
Dan zag ik in dat kleine gebouwtje een harmonium staan. Daar begreep ik niets van: in een kerk hoort toch een echt orgel te zitten?
Pas later begreep ik hoe bijzonder het was, zo'n schuilkerk.'
|