Op weg naar het nieuwe Liedboek: Ervaringen van een supervisor.
Beste mede-leden van de doopsgezinde organistenkring en andere geïnteresseerden.
De ingebruikname van het nieuwe liedboek staat na herhaaldelijk uitstel nu gepland voor het laatste weekend van mei 2013 (1 week na Pinksteren,
40 jaar na de ingebruikname van het huidige Liedboek der Kerken).
Het is de bedoeling dat er 4 uitgaven tegelijk verschijnen:
- De eenstemmige bundel voor het gewone gemeentelid.
- De begeleidingsbundel.
- Het cantor-koor boek.
- Een digitale uitgave (ten behoeve van beamers en andere apparatuur).
Hoe komt de bundel tot stand? De bundel wordt samengesteld door de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied (de ISK).
Het bestuur van de ISK overlegt met de besturen van de participerende kerken en met de uitgeverscombinatie.
Voor de dagelijkse leiding heeft de ISK Pieter Endedijk (afgestudeerd als kerkmusicus en als predikant van de PKN) aangesteld als coördinator.
Pieter Endedijk heeft een enorme kennis op het gebied van het kerklied (zie b.v. de rubriek liedsuggesties,
die hij verzorgt in "Muziek en Liturgie", een blad van de KNOV).
Er zijn 8 redactionele werkgroepen, die elk een bepaald werkveld hebben:
- Psalmen (de 150 berijmde psalmen, zoals die nu in het liedboek staan, maar ook onberijmde psalmen voor solist of koor,
met een refrein voor de gemeente zoals men ze vindt in Tussentijds b.v. 38, 39,41,43,44,46,49)
- revisie gezangen huidige Liedboek voor de kerken (sommige teksten worden gemoderniseerd, niet alles wordt in het nieuwe boek opgenomen).
- nieuwe Nederlandse liederen en
- nieuwe buitenlandse liederen
- kinder-, jeugd- en tienerliederen (waaronder een aantal uit “Alles wordt nieuw&rdquo, maar ook liederen
waarvoor begeleiding van gitaar of een band nodig is).
- liturgica (b.v. Kyrie, gezongen Geloofsbelijdenis en andere bestanddelen van de klassieke liturgie).
- andere zangvormen (w.o. liederen uit Taizé en Iona)
- gebeden en overige teksten (niet op muziek gezet)
Een werkgroep bestaat uit een aantal deskundigen op verschillende terreinen (theologie, kerkmuziek, hymnologie, liturgie, taalkunde).
Er is gestreefd naar een maximale spreiding in kerkelijke achtergrond, leeftijd en geslacht.
De werkgroepen selecteren liederen binnen het hun aangewezen werkveld en dragen deze voor bij de redactie.
De redactie beslist over het al of niet opnemen van de liederen.
De redactie wordt gevormd door de voorzitters van de werkgroepen en twee deskundige bestuursleden van de ISK,
aangevuld met adviseurs op diverse terreinen (tekstredactie, muziekredactie, auteursrechten, begeleidingen).
Participerende kerken zijn o.a.:
- Christelijk-Gereformeerde Kerk,
- Doopsgezinde Broederschap,
- Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt),
- Nederlands-Gereformeerde Kerk,
- NPB,
- PKN,
- Protestantse Kerk in België,
- Remonstrantse Broederschap.
Wie dus bij bepaalde onderdelen denkt: “Wat moeten wij daarmee?”, dient zich terdege te realiseren,
dat er in andere kerken vaak behoefte zal zijn aan andere liederen dan in zijn/haar eigen gemeente.
We vinden dus zowel liederen voor kinderdoop als doop op belijdenis.
Alle deelnemende kerken konden supervisoren aanwijzen.
Voor de Doopsgezinde Broederschap waren dat de predikanten
Carla Borgers (Almelo, voorzitster werkgroep muziek in de kerk), Machteld van Woerden (Baarn, ook afgestudeerd als zangeres,
vele jaren lid van het Groot Omroepkoor) en Matthijs de Vries (Steenwijk). Verder ikzelf, organist te Sneek,
(gepensioneerd docent van de Muziekschool en de Doopsgezinde organistencursussen).
Ik heb mij bewust beperkt tot de muzikale aspecten en daarbij speciaal gelet op wat voor de organisten van belang is.
Hierbij heb ik geprobeerd vooral de mogelijkheden van de goedwillende amateur voor ogen te houden.
Elke supervisor kon een klankgroep om zich heen verzamelen om liederen uit te proberen en te bespreken.
Dat is alleen in Steenwijk gelukt (de middag die ik met die groep doorbracht vond ik uiterst zinvol),
maar Steenwijk heeft - voor zover ik weet - heel spoedig afgehaakt.
Ikzelf heb verschillende keren met bevriende organisten overlegd, wat geen nieuwe gezichtspunten opleverde, maar wat ik als nuttig ervaren heb.
De supervisoren kregen viermaal een zending liederen, waar zij hun mening over moesten formuleren.
In totaal bekeek ik 384 liederen
en 3 zettingen van het zgn. Ordinarium (de 5 vaste gezangen- Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei- in Nederlandse vertaling).
Ik heb alle melodietjes meegeteld, dus een “Halleluja” of “U komt de lof toe” (als lofprijzing na het Evangelie)
telt net zo goed als 1 lied
als bv. Psalm 119 (Oude Berijming 88 verzen, Nieuwe Berijming 66 verzen).
De opmerkingen van de supervisoren worden door de redactie serieus bekeken, waarna de redactie haar besluit kan herzien.
Voor ons als supervisoren zal het nieuwe Liedboek een even grote verrassing of teleurstelling zijn als voor iedere gebruiker,
wij hebben geen beslissende stem over al of niet opnemen van bepaalde liederen en hebben ook niet een volledig overzicht van de gemaakte keuze.
Hetzelfde geldt b.v. ook voor de commissie die al druk bezig is het nieuwe boek in het Fries te vertalen,
sommige vertalers zullen wellicht merken dat een lied wat ze al vertaald hebben niet wordt opgenomen.
Bij de leden van de werkgroepen lopen de meningen over welke melodie-omvang voor een gemeente haalbaar is nogal uiteen.
Zo werd voorgesteld een bepaald lied omlaag te transponeren (de eerste regel eindigt op een hoge d, wat die werkgroep te hoog vond),
bij een ander lied wordt gezegd “eindigt mooi hoog” (namelijk op dezelfde d).
Wat moeten we denken van een toonomvang gis-a’, een melodie afkomstig uit de popcultuur? Dat is bepaald te laag.
Ik heb dan ook diverse malen voorgesteld een lied naar een andere toonhoogte te transponeren.
De tendens om de gemeente steeds lager te laten zingen is bepaald zorgwekkend.
Na de Tweede Wereldoorlog goldt het Duitse Evangelisches Gesangbuch international als een ideaal voor een goed liedboek.
Veel liederen nam ons Liedboek daaruit over, maar vaak een toon lager.
Dezelfde liederen staan in het huidige Duitse gezangenboek weer lager.
Opvallend is dat in Engeland regelmatig een toon hoger wordt gezongen dan bij ons, maar daar staat de gemeente meestal bij het zingen.
Let U maar eens op de toonhoogte bij “Songs of Praise” (zondagavond bij de BBC).
Wat de keuze van de toonsoorten betreft, ik heb er voor gepleit niet verder te gaan dan tot 3 voortekens,
wetende dat voor vele organisten meer voortekens een probleem zijn.
Bovendien hebben we hier en daar te maken met orgels in historische stemmingen, waarin de eenvoudige toonsoorten altijd beter klinken
en toonsoorten met veel voortekens soms totaal onbruikbaar zijn.
Jullie kunnen een flink aantal liederen verwachten voor solo en/of koor, waarbij de gemeente slechts een refrein zingt.
Er zijn heel wat liederen (Opwekkkingsliedern, religieuze popmuziek) waarvoor een band nodig is.
Bij 1 lied schreef de werkgroep “alleen met accoordsymbolen afdrukken, zodat het in elk geval niet met orgel begeleid wordt”.
Bij de ons toegezonden liederen, waren enkele al voorzien van een zeer pianistische begeleiding.
Wat moet je als organist doen, als er geen band, geen gitarist, geen goede pianist en geen goede piano beschikbaar is, maar het lied wordt wel opgegeven?
Ik heb geen enkel probleem met het inschakelen van andere instrumenten, integendeel, maar je moet er wel goede spelers voor hebben.
Ik heb er dan ook voor gepleit dat soort liederen altijd een bruikbare orgelbegeleiding te laten maken,
maar al te vaak is de organist de enigste muzikant die beschikbaar is.
Ik heb bij mijn opmerkingen ook enige criteria voor een goede begeleiding aangegeven:
- De melodie moet duidelijk hoorbaar zijn (m.a.w. in de bovenstem liggen).
- De zetting moet bij voorkeur vierstemmig zijn en met twee handen speelbaar, maar zo, dat de bas in het pedaal probleemloos gespeeld kan worden.
- Alt en tenor moeten samen in de linkerhand gepakt kunnen worden, zodat de organist
(als het op het betreffende orgel mogelijk is en de speler die techniek beheerst)
de melodie met uitkomende stem kan spelen (bij meer dan vier stemmen wordt dat voor de linkerhand problematisch).
- De zetting moet zo afgedrukt worden, dat de organist tijdens het spelen niet hoeft te bladeren (in de bundel van Tussentijds zijn er vele omslagproblemen).
- Sommige liederen, afkomstig uit de R.K. praktijk - waarbij koor en dirigent beschikbaar zijn -
hebben op diverse plaatsen langere rusten, soms van meerdere maten.
Het verdient aanbeveling de zetting zo te maken dat de beweging op die plaatsen twee- of driestemmig doorloopt
(zonder pedaal dus) en wel zo, dat de organist daar zachter kan spelen (op orgels met 1 manuaal zal dat gewoonlijk niet mogelijk zijn).
Enkele dagen na het verschijnen van de begeleidingsbundel bij Tussentijds deed ik mee met een studiedag over gemeentezang begeleiding.
Ik had het nieuwe boek, wat nog maar weinig deelnemers gezien hadden, bij me.
De docent vroeg mij een bepaald lied met een refrein van twee regels te begeleiden.
Ik trapte prompt in de valkuil, waarvoor ik de docent oprecht dankbaar ben.
Het bleek nl. dat je soms de eerste, soms de tweede en soms beide regels van het refrein moest spelen,
bij het laatste vers zelfs achter elkaar de tweede, de eerste en nog eens de tweede regel.
Ik heb dringend gevraagd bij zulke liederen ook in het begeleidingsboek het geheel zo af te drukken,
dat je als organist achter elkaar door kunt spelen en niet aangewezen bent op een voetnoot onder het laatste couplet.
Bij enkele teksten uit het huidige Liedboek heeft de betreffende werkgroep een andere melodie voorgesteld.
Van een bepaald lied werd de tekst zeer geprezen (in weinig woorden wordt veel gezegd, sterke tekst in mooie taal),
maar de melodie werd afgekraakt (matig, kleurloos, te slap voor de tekst).
De voorgestelde melodie van een R.K. componist wordt als meer ingetogen beschouwd.
Beide melodieën hebben twee keer een kwartnoot met stip, verder alleen kwarten en halven en 1 of 2 keer een halve met stip.
Precies de helft van de R.K. melodie is ontleend aan andere gezangen, is dus weinig origineel.
De afgekraakte melodie heeft fraaie muzikale accenten, die precies samenvallen met de tekstaccenten in het eerste vers.
Die melodie wordt ritmisch spannend door een maatwisseling (waarbij de notenwaarden gelijk blijven) en is een dankbaar improvisatiethema,
waarvan ik in elk geval 1 zeer goede orgelbewerking ken. Jullie begrijpen dat ik zeer benieuwd ben welke melodie uiteindelijk gekozen wordt.
Van 1993 tot 2002 gaf onze werkgroep het blad “Zang en spel” uit.
Wellicht dat velen zich de discusse over “Ik voel de winden Gods vandaag” herinneren.
Ik heb er voor gepleit om bij de keuze “al of niet opnemen” bepaalde geliefde liederen wel op te nemen,
ook al zijn die van een bedenkelijke theologische inhoud of matige muzikale kwaliteit.
In het tijdvak “beamer en kopiëerapparaat” worden die liederen toch wel opgegeven, het spaart ons de moeite van het zoeken naar voorspel en begeleiding.
Een nogal vaak gezongen Adventslied schijnt te verdwijnen.
Ik heb daarbij opgemerkt, dat er in dat geval een storm van verontwaardiging door de Doopsgezinde Broederschap zal gaan.
Enkele voorgestelde liederen hebben een zeer moderne, bitonale melodie.
Velen van ons zullen die niet van het blad kunnen zingen.
Het is niet uitgesloten te achten dat je met een slimme orgelbegeleiding die liederen wel kunt zingen.
Dat zou met een groep gemeenteleden moeten worden uitgeprobeerd (b.v. op de dag van de kerkmuziek).
Herhaaldelijk heeft de redactie al naar voren gebracht “niet alles hoeft in elke gemeente te kunnen”.
Daar ben ik het van harte mee eens, maar wie bepaalt wat er gezongen wordt?
Als men alleen de liederen zingt die we al kennen uit het huidige liedboek of oudere bundels, is invoering van het nieuwe boek geen probleem.
Wil men ook nieuwere liederen gaan gebruiken dan is het aan te bevelen om daarbij een planning voor langer tijd te maken.
Er zal dan met de gemeente geoefend moeten worden. Veel is mogelijk als er een koor met dirigent beschikbaar is (of een goede solozanger).
Minimaal zou er in elke gemeente iemand moeten zijn die nieuwe liederen voor kan zingen.
Realiseer je wel, dat dat betekent dat er regelmatig samen gestudeerd moet worden.
Een goede voorzanger hoeft niet over een geweldig mooie stem te beschikken. Belangrijk is dat die persoon perfect in de maat zingt op de juiste toonhoogte.
Hoed U voor voorgangers die dat wel even doen, hun maatgevoel laat vaak te wensen over.
We kennen allemaal het verschijnsel van de voorganger die luidkeels voor de microfoon meezingt. Let eens op hoe ze een Psalm zingen.
Als ze telkens te vroeg zijn bij de nieuwe regel zijn ze niet geschikt als voorzanger.
Ik raad iedere organist die in 2013 het nieuwe liedboek mee wil invoeren het volgende aan:
- Wat voor mogelijkheden heeft het orgel waarop je dienst doet om de melodie uitkomend te spelen?
Heb je 2 manualen en een bruikbaar pedaal, maar beheers je de techniek van het uitkomend spelen niet, maak je die dan nu eigen.
Heeft je orgel maar 1 manuaal, maar wel een extra diskantregister (b.v. Cornet of Trompet diskant),
dan kun je veel goed werk doen door de melodie met dat register te spelen en met de linkerhand alleen de bas van een goede zetting te spelen
(beneden de middelste c blijven).
- Kijk vast uit naar een goede voorzanger. Kan die bij het orgel staan en is hij/zij dan vanuit de kerk goed te horen en te zien?
Ik heb wat van mijn ervaringen en overwegingen opgeschreven. Het is geen systematisch verslag. Hopelijk verschijnt er t.z.t. een handboek,
vergelijkbaar met het compendium bij het huidige liedboek. Jullie kunnen je altijd om meer informatie of advies tot mij wenden.
Hartelijke groeten, veel succes en speelplezier op de orgelbank. Folkert Binnema, Sneek.
(tel. 0515-414182, email:
folkert@binnema.net